Connie Snoek – Szilvia May: Hoe diep is de hemel?

El Proyecto Internacional de Cuentos Allende Los Mares
Translated by Cora-Lisa Sütő

In de Noordelijke IJszee, niet ver uit de kust, lag een klein eiland met daarop een nog kleiner vissersdorpje. De zomers waren er kort en fris, de lange winters mergstollend koud. Langs de winderige hemel raasden vuilgele en paarsbruine wolken; de zon liet zich maar zelden zien. De mensen zaten meestal binnen; als ze ‘s avonds bij de warme kachel hun vissen schoonmaakten of hun netten repareerden, fantaseerden ze over verre, onbekende streken. Want de dorpelingen verlieten hun eiland bijna nooit, en bijna nooit kwam er iemand van elders naar het eiland. Zelfs de trekvogels die hier kwamen rusten, gingen nooit meer weg: ze wachtten op een gunstige wind, maar die kwam niet. Het was altijd dezelfde noordenwind die het water deed pieken en schuimen.
Op het eiland leefden veel verschillende vogels, meer nog dan mensen misschien. Ook zij leefden van de visvangst, en ze waren al net zo ijverig als de vissers, zo niet ijveriger: elke morgen verwijderden ze het stof en de gevallen schubben uit hun nesten en zelfs van de straten, ze verzorgden de mossige gazonnetjes en de enkele bloem die zich bij hoge uitzondering tussen de grassprieten liet zien.

Made by Connie Snoek, holland artist

Made by Connie Snoek, holland artist

Het vlijtigst van alle vogels waren meneer en mevrouw Meeuw. Ze waren niet bepaald jong meer, maar deden altijd hun best om het leven op het kleine eiland een beetje mooier en prettiger te maken. Als ze niet aan het werk waren, zat mevrouw Meeuw te breien: ze maakte dikke truien voor de trekvogels die de warmte van het zuiden misten. Ondanks de barre omstandigheden woonde het meeuwenechtpaar hier graag, al droegen ze één groot verdriet: ze hadden nooit jongen gekregen. Op een dag zei meneer Meeuw onverwacht tegen zijn vrouw: ‘Lieverd, je hoeft vanavond niet op me te wachten, want ik ga met de vissers naar de markt.’ Om de drie jaar werd er op het vasteland een grote markt gehouden, en dit keer gingen er, voor het eerst sinds lange tijd, ook een paar vissers van het eiland naartoe. Mevrouw Meeuw wist van verbazing even niets te zeggen en deed die nacht geen oog dicht van ongerustheid. De volgende morgen stapte meneer Meeuw echter opgewekt het nest binnen, waarna hij voorzichtig iets uit zijn zak haalde. Het was een vogelei. Het gezicht van mevrouw Meeuw klaarde op. Ze was dolblij dat haar man weer veilig thuis was en keek vol bewondering naar het ei met de glanzende schaal. ‘Nu krijgen we toch nog een jong,’ zei ze stralend. Meneer Meeuw kon haar alleen niet vertellen, wat voor vogel hij op de markt had gekocht.
Mevrouw Meeuw pakte het ei goed in, hield het warm en beschermde het tegen de wind, en zie, het wonder geschiedde: na een paar weken kwam er uit de eierschaal inderdaad een vogelkopje tevoorschijn. De vreugde was groot! Het kuiken was mooi grijs en had een enorme eetlust; al gauw begon het te groeien als kool. Trots nam de meeuwenmoeder haar zoon mee het dorp in, en iedereen was, zoals dat gaat, gul met complimenten: wat was hij mooi, wat was hij handig, wat had hij een welgevormde snavel… Over één ding sprak niemand: dat hij een staartvin in plaats van staartveren had.
Na de eerste rui viel het ook mevrouw Meeuw op dat er iets vreemds aan de hand was: onder de uitvallende donsveertjes bleek het lijfje van het vogeljong met glanzende schubben te zijn bedekt. Moeder Meeuw breide een trui voor haar zoontje, maar dat hielp niets: de andere vogelkinderen begonnen hem uit te schelden en niemand wilde meer met hem spelen. Ze noemden hem Dik Mormel en dreven achter zijn rug de spot met zijn waggelende manier van lopen. Maar het jong groeide en groeide, er moest meer en meer vis voor hem worden gevangen. Op een gegeven moment begonnen de dorpsoudsten zich zorgen te maken: ze riepen de ouders bij zich om te beraadslagen.
‘Jullie zijn de respectabelste en vriendelijkste bewoners van ons dorp,’ begonnen ze. ‘Maar jullie pleegkind verstoort de orde.’
Iemand riep: ‘Wat voor dier is dat jong van jullie eigenlijk? Misschien is hij wel gevaarlijk voor ons soort vogels!’
‘Wie weet, hoe lang hij nog door blijft groeien! Straks wordt hij nog groter dan het dorp!’ zei iemand anders.
‘Bovendien hebben we niets aan hem,’ viel de griffier hem bij. ‘Hij trapt alleen de bloemen stuk’.
‘Hij stinkt naar vis… Hij geeft een slecht voorbeeld’ mopperden de huisvrouwen. ‘En hij kaapt alle vis voor de neus van onze jongen weg!’
Ten slotte lieten ze het vreemde vogeljong door de dorpsarts onderzoeken, die vaststelde, dat het waarschijnlijk geen vogel maar een vis was. De beste oplossing leek dus het jong terug in zee te gooien. De pleegouders waren wanhopig, hun kleintje had toch een snavel, misschien was hij gewoon nog te jong en vloog hij daarom niet. Maar hoe ze ook jammerden en smeekten, de dorpsoudsten waren onverbiddelijk. Het meeuwenechtpaar stemde er tenslotte met grote tegenzin in toe om de proef op de som te nemen. Als het jong een vogel was, zou hij op die leeftijd allang moeten kunnen vliegen, redeneerden de dorpsoudsten. ‘We hijsen hem naar een hoge boomtak en duwen hem eraf, dan zal wel blijken wat voor vlees we in de kuip hebben’.
De ouders stonden vleugelwringend onder de boom en riepen bemoedigende woordjes naar hun uit de kluiten gewassen zoon. Die zat verdwaasd om zich heen te kijken in de top van de boom, waar de dorpelingen hem met vereende krachten naartoe hadden gesleept. Toen ze hem een duw gaven, viel zijn grote lijf als een baksteen naar beneden; het publiek stoof panisch uit elkaar. In zijn val brak de reuzenvogel de ene na de andere dikke tak, en toen het al zeker was dat hij een lelijke smak tegen de grond zou maken, gebeurde er iets onverwachts. Vlak boven de grond trok het grote lichaam zich samen, sloeg krachtig met zijn staartvin en boog zijn koers met een zwier af naar boven. Dik Mormel kwam hoger en hoger en maakte een cirkel boven de boomkruin. Hij gleed met zichtbaar plezier door de lucht en golfde steeds sierlijker rond. Het nieuwsgierige vogelvolk durfde weer dichterbij te komen en sommigen riepen vol bewondering:
‘Kijk! Hij zwemt door de lucht!’
Vissers die door hun raam naar buiten keken, konden hun ogen nauwelijks geloven:
‘Ongelooflijk! Dus dáárom vangen we niets meer op zee!’
Zo onhandig als Dik Mormel op het land was, zo bevallig suisde hij nu door de lucht. Hij dook hoger en hoger, maakte salto’s en draaide rondjes als een caroussel, om uiteindelijk uit het zicht van de starende menigte te verdwijnen. Het pleegmeeuwenpaar huilde en lachte tegelijk. Aan de ene kant waren ze blij dat hun zoon eindelijk in zijn ware element was, aan de andere kant deed het hun veel verdriet dat ze hem misschien nooit meer zouden zien.
Dag na dag verstreek, een nieuwe natte lente brak aan. Mevrouw Meeuw stond haastig de was binnen te halen vanwege een plotselinge regenbui, toen ze haar Mormel ineens zag opdoemen. Die zwom bij wijze van groet een rondje boven haar verraste gezicht en dreef met een paar slagen van zijn staart de wolken uit elkaar. Het hield meteen op met regenen en de zon kwam stralend tevoorschijn. Blij keek mevrouw Meeuw naar haar reusachtige zoon. Die plonsde vrolijk door het blauw van de lucht, zijn zilveren schubben schitterden in de zon. Het onverwacht mooie weer lokte steeds meer dorpsvogels naar buiten, en allemaal genoten ze van de dans van de bijzondere vogel.
Na een tijdje streek Mormel bevallig neer op het dorpsplein. De vogels verdrongen zich om hem heen, iedereen wilde weten waar hij allemaal geweest was.
‘Hoe diep is de hemel?’
‘Regent het wel eens op de sterren?’ De thuiskomer werd bestookt met vragen. En Mormel begon te vertellen:
‘De hemel is zo hoog als de zee diep is. De sterren kon ik niet bereiken omdat er zo ver weg geen lucht is. Maar ik kon duidelijk zien dat ze op dit dorpje lijken, met net zulke leuke straatjes, en het sterrenstof wordt er elke avond keurig opgeveegd.’
En zo ging Mormel nog lange tijd door, hij vertelde van alles en nog wat. Vanaf dat moment kwam hij elke dag met nieuwe verhalen. En als hij er toch was, schoof hij meteen de wolken opzij, zodat het dorpje meer zonneschijn kreeg. De trekvogels vonden het niet meer jammer dat ze hier waren gestrand. En de vissers maakten zich geen zorgen meer over hun vangsten: ze begrepen dat alleen Mormel aan de hemel zwom, en dat de andere vissen zijn voorbeeld gelukkig niet volgden.

Anuncios

Responder

Introduce tus datos o haz clic en un icono para iniciar sesión:

Logo de WordPress.com

Estás comentando usando tu cuenta de WordPress.com. Cerrar sesión / Cambiar )

Imagen de Twitter

Estás comentando usando tu cuenta de Twitter. Cerrar sesión / Cambiar )

Foto de Facebook

Estás comentando usando tu cuenta de Facebook. Cerrar sesión / Cambiar )

Google+ photo

Estás comentando usando tu cuenta de Google+. Cerrar sesión / Cambiar )

Conectando a %s

A %d blogueros les gusta esto: